Nee, ik weet al wat het woord is. Het woord is uitgerangeerd. Ik voel me uitgerangeerd. Het is alsof alle energie die ik gestoken heb in optimistisch zijn, leidt tot een baaldag. Zo heet het toch? Een baaldag. Mijn baaldag ziet eruit in een bipolaire stoornis als een zwaar lichaam onder warme dekens.
Als je zoiets op een site zet of in een boek schrijft, dan wordt het als rauw en eerlijk gezien. Maar het is tegelijkertijd een kennisgeving van totaalfalen. Wie wil dit lezen en wat levert het me op? Mijn dochter, parels in een dagblad. Pareltjes die gingen over mij. Ik had succes.
Succes zag eruit als de cover van mijn boek in de etalage van Scheltema. Eten in een restaurantje, vakanties. En toen kwam de klap. Meerdere achter elkaar.
Jaar na jaar rustend op een verleden als een fakirbed vol scherpe spijkers die littekens had achtergelaten in mijn rug.
Wie je bent, vroeg ik me af in de column of in de beschouwing ‘Aspiratie’. Altijd één voet voorwaarts, dat is de weg. Die kan ik gaan.
Ik ben blij omringd te zijn door fijne vrienden. Ze zijn niet de stutten van mijn leven, maar goedwillende, loyale, hechte passanten in de weg die ik ga. Maar wat doe je als je geen vrienden hebt? Wat moet ik zeggen tegen iemand die alles kwijt is en dag na dag vertwijfeld rust, rustig wacht tot het beter gaat? Die zijn er genoeg. Ik kom ze tegen in mijn werk.
De gordijnen dicht, zoals ik nu ook heb, om een cocon van mijn woning te maken. Woninkje, woning.
Iedereen draagt zijn eigen lot, zei laatst iemand. Wat zou ik willen dat ik dit zou kunnen oplossen. Te beginnen bij mezelf.